Algemeen
BARZOI
Land van herkomst: Rusland
Korte geschiedenis van het ras
De Barzoi, ook Borzoi en Barsoi geschreven, behoort tot de noordelijke windhondenrassen. De afstamming gaat terug tot de oude Russische windhond met toevoeging van Krim- en Bergwindhondenbloed. Hij werd vooral gebruikt voor de drijfjacht op wolven, hazen en vossen. Het ras was door de Eerste Wereldoorlog en de Russsiche revolutie bijna uitgeroeid. In het laatste decennium van de vorige eeuw begon de hertogin van Newcastle in Engeland dit ras te fokken met behulp van honden uit de beroemde Perchino-kennel, die toebehoorde aan de groothertog Nicolai Nicolajevich in Rusland. De Barzoi is een imponerende hond met fraaie belijning, die tegenwoordig vooral fungeert als toegewijde en plezierige gezelschapshond en overal ter wereld geliefd is.
Rasbeschrijving
De algemene indruk moet imponerend zijn, iets rechthoekig met een smalle en platte lichaamsvorm.
Hoofd: lang, smal, droog, fijnbesneden en in verhouding met de lichaamsgrootte. Het profiel van voorhoofd- en neuspartij is boogvormig, met een nauwelijks merkbare voorhoofdsaanzet en een duidelijk geprononeerde achterhoofdknobbel. De neusspiegel is groot, vooruitstekend en zwart.
Ogen: groot, amandelvormig en donker met een zachtaardige, maar levendige uitdrukking.
Oren: hoog en ver naar achteren aangezet, kleine, dunne, smalle, zogeheten rozeoren.
Gebit: schaar- of tanggebit.
Hals: lang en gespierd met plattte zijden, licht gebogen.
Lichaam: de rug vormt een lichte boog, waarbij het hoogste punt zich dient te bevinden daar waar de borstkas overgaat in de lendenen. De borstkas is vrij lang en zeer diep, echter relatief vlak, de buik sterk opgetrokken. De croupe moet lang, breed, gespierd en hellend zijn.
Ledematen: de voorbenen zijn lang, droog en gespierd, en de schouder/opperarm licht gehoekt. De achterbenen zijn lang, met zeer krachtige spieren en matig gehoekt in knie- en spronggewricht. De hond moet achter wijder staan dan voor.
Voeten: ovaal en smal, gewelfd met goed gesloten tenen.
Staart: laag aangezet, sabelvormig en zo lang mogelijk.
Gangwerk: verend en uitgrijpend, in galop met grote, accelererende krachtige sprongen.
Vacht: dunne huid met lange, zijdezachte, golvende of krullende vacht. Korte vacht alleen op het hoofd en de achterkant van de voorbenen en de dijbenen.
Kleur: wit, goud in alle tinten, goud met zilver-aftekening of donkerder aftekening, rood met zwarte aftekening, grijs in verschillende tinten. Bij donkere honden is een zwart masker kenmerkend.
Schofthoogte: reuen 70-82 cm, teven ca. 5 cm kleiner.
|