AlgemeenPARSON JACK RUSSELL TERRIER
Land van herkomst: Engeland
Korte geschiedenis van het rasDe grondlegger van dit ras was predikant John (Jack) Russell, die in 1795 in Dartmouth, Devon, werd geboren. Hij was er geinteresseerd in de jacht, en kocht al snel zijn eerste terrier. Hij kruiste verschillende varianten met elkaar en stelde daarbij vooral hoge eisen aan de jachtkwaliteiten. Het creeren van een uiterlijk homogeen rastype was voor hem niet echt van belang. Na de Tweede Wereldoorlog nam de populariteit van het ras ook op het Europese vasteland toe, vooral onder jagers en paardenvolk. Het ras werd pas in 1990 door de Kennel club erkend. De standaard beschrijft alleen de normaalbenige. De veel populairdere kortbenige variant van het ras is sinds 25 oktober 2000 opgenomen in het voorlopige register van de FCI onder de naam "Jack Russell Terrier". De Parson Jack Russell Terrier is een uitstekende aardhond, en omdat hij goed met paarden kan omgaan, wordt hij tevens veel gebruikt als stalhond.
RasbeschrijvingDe Parson Jack Russell Terrier is een kleine, actieve, sterke en snelle hond met een groot uithoudingsvermogen en een zelfverzekerd en vriendelijk karakter.
Hoofd: vrij breed, met een plat schedeldak, geringe stop. De snuit is iets korter dan de schedel, zwarte neusspiegel.
Ogen: amandelvormig, vrij diepliggend, donker, met een wakkere uitdrukking.
Oren: klein en V-vormig. Ze moeten dicht tegen het hoofd aanliggen en de vouw van het oor mag niet boven de schedel te zien zijn.
Gebit: schaargebit.
Hals: van goed lengte, droog en gespierd.
Lichaam: geproportioneerd, iets rechthoekig. Vrij diepe borstkas, sterke en rechte rug, licht gewelfde lendenen.
Ledematen: vrij lange, goed naar achteren geplaatste schouders, uitgesproken schoft. Rechte voorbenen, ellebogen goed onder het lichaam geplaatst. Sterke en gespierde achterbenen, goed gehoekte knie- en spronggewrichten. Lage, evenwijdige sprongen.
Staart: krachtig, recht en hoog aangezet.
Voeten: goed gesloten, met stevige voetzolen, naar voren gericht.
Gangwerk: vrij, levendig, met grote stuwkracht.
Vacht: hard, vlak aanliggend, en dicht, ruig- of gladharig.
Kleur: eenkleurig wit of wit met tankleurige, citroengele of zwarte aftekening, voornamelijk beperkt tot het hoofd of de staartwortel.
Schofthoogte: ideale hoogte reu 35 cm, teef 33 cm.
|