Algemeen
JAPANSE TERRIER
Land van herkomst: Japan
Korte geschiedenis van het ras
De Japanse Terrier is in het midden van de achttiende eeuw ontstaan toen Engelse zeelieden naar Japan kwamen en gladharige Foxterriers met zich meenamen. Deze honden vermengden zich met lokale honden, hetgeen resulteerde in kruisingen die als gezelschapshonden werden gebruikt. Naderhand ontfermde men zich over een aantal individuen om daarmee een speciaal ras te creeren. Dit is ook gelukt, en het is nog steeds te zien dat de Engelse Foxterrier een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van dit ras. Het ras komt buiten zijn vaderland nauwelijks voor.
Rasbeschrijving
De Japanse Terrier is een kleine, compacte en sierlijke hond met een zeer korte vacht.
Hoofd: platte en vrij smalle schedel, snuit en schedel zijn even lang. Gering stop. Droge wangen en dunne lippen. Vlakke neusrug, zwarte neusspiegel.
Ogen: middelmatig groot en donkerbruin met ovale oogopeningen.
Oren: hoog aangezet, vrij klein, dun, V-vormig met naar voren gevouwde toppen.
Gebit: schaargebit.
Hals: middelmatig lang, krachtig en droog.
Lichaam: uitgesproken schoft, korte rug. Lendenen en bekken licht gewelfd en sterk. Diepe, maar vrij smalle borstkas, goed gewelfde ribben, goed opgetrokken buiklijn.
Ledematen: tamelijk geopende hoeken in voor- en achterhand, rechte voorbenen en tamelijk lichte botten.
Voeten: goed gesloten, met soepele, zwarte voetzolen en zwarte nagels.
Staart: vrij dun.
Gangwerk: licht en snel.
Vacht: kort, zacht, dicht en glanzend.
Kleur: driekleurig, wit-zwart-bruin op het hoofd, wit op het lichaam.
Schofthoogte: 30,5 - 38,0 cm.
|