Algemeen
DWERG DASHOND (TECKEL)
Land van herkomst: Duitsland
Korte geschiedenis van het ras
De Teckel is een van de meest voorkomende honderassen. Het behoort tot de
achondroplasten, wat betekent dat de groei in de lengte in een vroeg stadium
stopt door een verstoring in de verandering van het kraakbeen in bot, met name
de lange pijpbenen. Volgens Duitse kynologen stamt de Teckel waarschijnlijk af
van een oude Duitse braksoort, waarmee hij ook bepaalde anatomische
overeenkomsten heeft. Dit is ook bevestigd door vondsten uit de Romeinse tijd.
Hoe de Teckel zich van de brak heeft ontwikkeld tot de tegenwoordige Teckel is
niet duidelijk. Het is echter wel duidelijk dat hij niet verwant is aan de
Dasbrak (de voorganger van de huidige Drever) of de Franse bassetrassen. Men
weet dat het Engelse ras Dandie Dinmont Terrier is gebruikt om de ruwharige
variant van de Teckel te reconstrueren. Dit gebeurde aan het eind van de
negentiende eeuw. De Teckel is een allround hond. Hij is een uitstekende,
langzaam drijvende jachthond en een lieve gezelschapshond. Zijn eigenwijze en
charmante manier van doen heeft het ras over de hele wereld veel vrienden
opgeleverd.
Rasbeschrijving
De Teckel komt in drie haarvarieteiten voor: kortharig, langharig en ruwharig.
Daarnaast zijn er drie vareiteiten gebaseerd op de grootte van de hond: de
Teckel, het gewicht mag niet meer bedragen dan 9 kilo, de Dwergteckel, de
borstomvang mag bij een leeftijd van een jaar niet meer dan 35 cm en niet minder
dan 30 cm bedragen: de Kaninchenteckel, de borstomvang mag bij een leeftijd van
een jaar niet meer dan 30 cm bedragen. Deze samenvatting van de rasbeschrijving
geldt voor alle drie de varieteiten.
Hoofd: langgerekt, droog, scherp besneden. De afstand van de neuspunt
tot de stop is iets langer dan die van de stop tot de achterhoofdsknobbel.
Ogen: amandelvormig, droge oogranden, middelgroot, rustige indruk.
Oren: hoog aangezet, beweeglijk, brede oorflappen, afgeronde punt.
Gebit: schaargebit.
Lichaam: lang ,gespierd, droog. Licht gewelfde nek. Sterke rug, licht
hellend over de schoft, daarna horizontale ruglijn. Korte, brede en licht
gewelfde lendenpartij. Lange borstkas met goed ontwikkelde achterste ribben. De
borstkas moet van voren gezien ovaal zijn. Uitgesproken voorborst met krachtig
borstbeen. Matig opgetrokken buiklijn. Het bekken moet lang zijn, breed en
krachtig. De loodrechte afstand van het hoogste punt van de schoft tot het
laagste punt vban de borstkas moet twee-derde van de schofthoogte bedragen.
Ledematen: lange, brede schouderbladen, goed naar achteren liggend.
Het schouderblad is even lang als de opperarm en de onderarm. Goede hoeking van
de schouder en opperarm. Rechte onderarm met sterke botten, sterke
voormiddenvoet. Het dijbeen moet in verhouding lang zijn en een juiste hoek ten
opzichte van het bekken vormen. Krachtige sprong met geprononceerde hiel. De
achtermiddenvoet moet loodrecht op de grond staan en vrij kort zijn. Goed
bespierde achterbenen, evenwijdig.
Voeten: krachtig, naar voren gericht, goed ontwikkelde voetzolen,
krachtige nagels. De hele voet moet op de grond rusten.
Staart: moet in het verlengde van de rug lopen, wordt op een lijn met
de rug gedragen, of lager, en komt bijna tot op de grond.
Gangwerk: gelijkmatig, vloeiende wijd uitgrijpend en evenwijdig.
Vacht: voor de haarvarieteiten geldt:
- Korthaar: kort, dicht, glanzend, goed aanliggend
- Langhaar: glanzend, glad of licht golvend, dicht op de romp aanliggend.
Onder de hals, op de onderzijde van de romp, op de oren en de achterzijde van de
benen iets langer dan op de zijkanten van het lichaam. Aan de onderkant
van de staart moet een vlag zijn gevormd.
- Ruwhaar: korte, dichte ondervacht, ruw dekhaar ca. 2 cm lang. De borstelige
wenkbrauwen, snorren en baard iets langer. Op de voeten en de achterste delen
van de buik korter, op de neusrug, het schedeldak en de oren erg kort.
Kleur: gemeenschappelijke kleuren voor alle varieteiten zowel qua
grootte als qua haar: eenkleurig, tweekleurig, wildkleurig en gevlekt.
Eenkleurig: rood of geel met of zonder zwarte stekelharn. Zwarte neusspiegel.
Leverkleurig en goudbruin zijn toegestaan.
Tweekleurig: zwart met rode aftekening, grijs of wit met rode of gele
aftekening. Bij zwarte Teckels zwarte neusspiegel, Bij bruine honden zijn de
ogen geelbruin en is de neusspiegel leverkleurig. Bij grijze en wite honden moet
de neusspiegel zwart zijn. Leverkleur is in combinatie met geelbruine ogen
toegestaan, maar niet gewenst.
Wildkleurig: eland-, everzwijn- of haaskleurig. Zwarte neusspiegel.
Gevlekt: zwart, lichter bruinachtig, grijze of witte basiskleur met
regelmatige donkergrijze, bruine, roodgele of zwarte vlekken. Gelijkmatige
verdeling gewenst. Bij gevlekte honden zijn blauwe, grijze of parelwitte ogen
toegestaan, maar niet gewenst.
|