Algemeen
VIZSLA KORTHARIG
Land van herkomst: Hongarije
Korte geschiedenis van het ras
In zijn vaderland heeft de Vizsla of Hongaarse Staande Hond oeroude wortels.
Men weet dat er in de achttiende eeuw Turkse jachthonden werden ingekruist
en later werd de ontwikkeling ook beinvloed door Middeneuropese rassen. Tijdens
en na de Eerste Wereldoorlog ondervond het ras grote moeilijkheden en pas na de
Tweede Wereldoorlog werd de situatie stabiel. Door een tekort aan buitenlandse
valuta werden echter veel honden aan het buitenland verkocht, wat grote invloed
heeft gehad op zowel het aantal als de kwaliteit. Het ras heeft nu een stabiele
basis in het vaderland en in het buitenland. De Vizsla is een allround jachthond,
maar hij wordt voornamelijk gebruikt als staande en apporterende vogelhond. Hij
wordt ook gewaardeerd als tentoonstellingshond.
Rasbeschrijving
Hoofd: droog en edel, licht uitgesproken achterhoofdsknobbel, vrij
brede schedel, licht uitgesproken voorhoofdsgroef, matige stop, rechte neusrug,
krachtige kaken, donkerbruine neusspiegel.
Ogen: altijd donkerder dan de kleur van de vacht, ovaal, levendige
blik.
Oren: gematigd hoog aangezet, fijn behaard, gematigd lang en afgerond.
Gebit: schaargebit.
Hals: gematigd lang, licht gebogen, droog en gespierd.
Lichaam: korte rug met een uitgesproken schoft en rechte ruglijn.
Lange en diepe borstkas, uitgesproken voorborst, licht opgetrokken buiklijn.
Brede en sterke lendenpartij, licht hellende croupe.
Ledematen: goed naar achteren liggende schouders, matig sterke botten,
rechte voorbenen met veerkrachtige voormiddenvoeten. Lange achterbenen en
redelijke hoeking van knie- en spronggewrichten. Lage sprongen.
Voeten: rond, goed gesloten, de kleur van de nagels is donkerder dan
die van de vacht.
Staart: wordt hangend gedragen, horizontaal in beweging.
Vacht: er zijn twee haarvarieteiten, kortharig en draadharig.
Kortharig: dun, zeer kort, dicht, fijn, muisachtig en glanzend. Draadharig: 2-4
cm lang, ruw en krachtig dekhaar met ondervacht.
Kleur: donker rood/geel zonder aftekening. Oogranden en lippen moeten
donkerbruin pigment hebben.
Gangwerk: levendig, wijd uitgrijpend en elegant.
Schofthoogte: reu 57-64 cm, teef 53-60 cm.
|