Algemeen
PORTUGESE POINTER
Land van herkomst: Portugal
Korte geschiedenis van het ras
Dit is de patrijshond van de Portugezen, Perdigueiro betekent patrijs. Het is een zeer oud ras, waarvan de herkomst een beetje onduidelijk is. De ligging van Portugal aan zee en de zeevaart duiden op invloeden uit andere landen, niet in de laatste plaats wat de honden betreft. In de eerste helft van de achttiende eeuw kwam de Portugese Pointer naar Engeland, en het is heel goed mogelijk dat het zeer bijzondere hoofd van de Engelse Pointer samenhangt met de aanwezigheid van zijn Portugese neef in Engeland. De Portugese Pointer is een uitstekende staande vogelhond. Hij is bijzonder makkelijk te dresseren, heeft een vurige passie voor de jacht en is zachtaardig en plezierig als familiehond. Het is bovendien een zeer fraaie hond en het is merkwaardig dat hij buiten zijn vaderland niet meer populariteit geniet.
Rasbeschrijving
De Portugese Pointer is een middelgrote, licht rechthoekige, sierlijke en krachtige vogelhond.
Hoofd: goed in balans, met een vlakke schedel, die vanaf de zijkant gezien licht gewelfd is. Nauwelijks zichtbare achterhoofdsknobbel, duidelijk afgetekende stop, brede neusrug, omhooggerichte voorsnuit zoals bij de Engelse Pointer. Grote, iets omhooggerichte, zwarte of bruine neusspiegel. Droge, goed gepigmenteerde lippen met een aanzet tot mondhoek.
Ogen: groot, kastanjebruin in verschillende tinten, gepigmenteerde oogranden. Levendige uitdrukking.
Oren: middelmatig lang, hangend, dun en zacht, bedekt met fijn, kort haar. Ze zijn breed aan de basis en hebben een zacht geronde punt.
Gebit: schaargebit.
Hals: recht, gespierd, droog en sierlijk.
Lichaam: ruime, diepe en vrij brede bostkas met normaal gewelfde ribben. Zwak afgetekende schoft, korte, rechte en sterke rug, brede en licht gewelfde lendenpartij en iets aflopende croupe. Geprononceerde flanken en licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: normale hoekingen in voor- en achterhand, goed bespierde schouders, benen en dijen. Evenwijdige voor- en achterbenen, veerkrachtige voormiddenvoeten en sterke, vrij lage sprongen.
Voeten: goed gesloten en gewelfd, met sterke voetzolen.
Staart: in het verlengde van de ruglijn aangezet, reikt bijna tot de punt van de sprong. In rust wordt de staart hangend gedragen, in actie ter hoogte van de ruglijn of iets hoger.
Gangwerk: vrij en ritmisch.
Vacht: kort, sterk en dicht, zonder onderhaar.
Kleur: geel of kastanjebruin, eenkleurig of met witte aftekening.
Schofthoogte: reu 56 cm, teef 52 cm. Een afwijking van 4 cm is toegestaan.
|