Algemeen
IERSE SETTER
Land van herkomst: Ierland
Korte geschiedenis van het ras
De Ierse setter heeft, net als de andere setterrassen, zogenoemde setting spaniels in de stamboom. In het begin van de negentiende eeuw werden de witte en ook de uniform rode honden populair in Ierland en in 1860 splitste de Ierse setter zich van de overige Setterrassen af en werd als een apart ras tentoongesteld. Men beschouwde de rood-witte honden als de beste jachthonden, de rode vond men de mooiste. Vanaf 1882 werden alle rode Setters op tentoonstellingen toegelaten, wat tot gevolg had dat de rood-witte variant bijna uitstierf. De Ierse setter is een goede staande vogelhond en wordt over de hele wereld geroemd als gezelschaps- en tentoonstellingshond.
Rasbeschrijving
De Ierse setter is een elegante, beweeglijke en levendige hond met vlotte belijning. Hij moet racey zijn en vol kwaliteit.
Hoofd: lang en droog, licht gewelfd schedeldak, duidelijk uitgesproken achterhoofdsknobbel, stop en wenkbrauwen. De voorsnuit is lang en diep, de neusrug is evenwijdig aan het schedeldak. De neusspiegel is donker mahoniekleurig, walnootkleurig of zwart.
Ogen: middelgroot, donker hazelnootbruin of donkerbruin.
Oren: middelgroot, laag aangezet, goed achter op de schedel geplaatst, worden dicht tegen het hoofd gedragen in een zachte vouw.
Gebit: schaargebit.
Hals: gematigd lang, droog, licht gewelfd, gespierd.
Lichaam: goed in evenwicht. Diepe borstkas met goed gewelfde ribben, goed volume. Licht gewelfde lendenpartij.
Ledematen: schouders liggen goed naar achteren, uitgesproken schoft. Rechte, droge voorbenen, sterke botten. Brede, krachtige en goed bespierde achterhand, lage sprongen, evenwijdig.
Voeten: klein, goed gesloten, krachtige, gewelfde tenen.
Staart: gematigd lang, vrij laag aangezet, wordt op een lijn met de ruglijn of iets lager gedragen.
Gangwerk: vrij en wijd uitgrijpend. Het hoofd moet hoog en naar voren gericht gedragen worden. Goede langte van de passen en goede stuwkracht.
Vacht: op het hoofd, de voorkant van de benen en de punten van de oren een korte en fijne vacht, verder gematigd lang, glad en niet krullend of golvend. Rijkelijke bevedering op de achterkant van de voor- en achterbenen. Aan de zijkanten van de buik en de hals rijkelijke bevedering, evenals aan de onderkant van de staart.
Kleur: warm kastanjerood, zonder enig spoor van zwart. Kleine, witte borstvlek is toegestaan, maar niet gewenst.
Schofthoogte: wordt niet aangegeven in de standaard.
|