Algemeen
SARPLANINAC
Land van herkomst: voormalig Joegoslavie
Korte geschiedenis van het ras
De Sarplaninac is een waak- en herdershond uit de zuidoostelijke berggebieden van Joegoslavie, waaraan hij tevens zijn naam te danken heeft. Zijn voorvaderen kwamen waarschijnlijk honderden jaren geleden vanuit Azie naar Europa, maar zijn oorsprong is niet helemaal duidelijk. Wel duidelijk is dat hij ontwikkeld werd in een gebied waar de veeteelt zeer intensief was. Tegenwoordig komt hij overal in zijn vaderland, en ook in Canada en de Verenigde Staten, voor. Hij werd reeds in 1939 door de FCI erkend.
Rasbeschrijving
De Sarplaninac is een middelgrote, iets rechthoekige, robuuste en krachtige hond met een lange vacht en een evenwichtig karakter.
Hoofd: de schedel is iets langer dan de voorsnuit en breed, met een uitgesproken voorhoofdsgroef, van voren gezien licht gewelfd. Geringe achterhoofdsknobbel en wenkbrauwbogen, zeer lichte stop. Krachtige voorsnuit, middelmatige dikke en droge lippen, zwarte neusspiegel.
Ogen: amandelvormig, donkerbruin of iets lichter, met een kalme en evenwichtige uitdrukking. Zwargepigmenteerde oogranden.
Oren: middelmatig hoog aangezet, V-vormig, en bedekt met kort en zacht haar. Ze moeten dicht tegen de wang aanhangen.
Gebit: schaargebit.
Hals: middelmatig lang, sterk en droog, wordt vrij laag of net boven de ruglijn gedragen.
Lichaam: rechte of iets aflopende ruglijn. Brede en sterke rug, niet te lang. Tamelijk korte lendenpartij met een goede breedte, goed bespierd. Iets aflopende croupe. Diepe en tamelijk lange borstkas, normaal gewelfde ribben, brede en gespierde voorborst, iets opgetrokken buiklijn.
Ledematen: zeer goede botten, rechte en evenwijdige voorbenen en goede hoekingen in de voorhand. Normaal gehoekte, goed bespierde achterbenen, van achteren gezien evenwijdig. De hond staat achter wijder dan voor.
Voeten: ovaal, met goed gesloten en gewelfde tenen en sterke, zwarte voetzolen.
Staart: moet ten minste tot de punt van de sprong reiken en in het verlengde van de croupelijn aangezet zijn. Wordt in rust sabelvormig gedragen, in actie iets boven de ruglijn. Hij is weelderig behaard.
Gangwerk: lang en elastisch.
Vacht: het hoofd, de oren en de voorkant van de benen zijn bedekt met kort haar. Op de rest van het lichaam is de vacht lang, glad en grof. Kort en dicht onderhaar.
Kleur: de hond dient eenkleurig te zijn. Alle kleuren zijn toegestaan, van wit tot donkerbruin. Bij voorkeur staalgrijs of donkergrijs.
Schofthoogte: reu 62 cm, teef 58 cm.
|