Algemeen
FILA BRASILIERO
Land van herkomst: Brazilie
Korte geschiedenis van het ras
De Fila Brasiliero is een typische representant van de Mastiffgroep. Hij is
groot, machtig, sterk, waakzaam en moedig. Zij voorvaderen kwamen met de
Portugese en Spaanse veroveraars mee uit Europa toen Zuid-Amerika werd
gekoloniseerd en werden gepaard aan lokale honden. Ze werden gebruikt als
veedrijver, als waak- en als speurhond. Als speurhond werd hij in vroeger dagen
gebruikt om ontsnapte slaven op te sporen. Hij staat bekend als zeer scherp en
in de oorspronkelijke rasbeschrijving werd dit ook als een vereiste genoemd.
Deze eis heeft men tegenwoordig gelukkig laten vallen. Niettemin is de Fila
Brasiliero een ras dat respect afdwingt en waar voorzichtig mee moet worden
omgegaan. Als waakhond is hij onovertroffen.
Rasbeschrijving
Hoofd: groot en zwaar in verhouding tot het lichaam, en massief. Van
boven gezien doet het denken aan een trapezium. Uitgesproken achterhoofdsknobbel.
Brede en krachtige voorsnuit, die iets korter is dan de schedel, zeer diep en
met een stompe punt. Hangende bovenlippen, stevige onderlippen, maar los aan de
zijkant, zodat de tandenrij zichtbaar is. Zwarte of bruine neusspiegel,
afhankelijk van de kleur van de vacht.
Ogen: middelgroot, amandelvormig, diep geplaatst, donker.
Oren: aangezet op het achterste gedeelte van de schedel op een lijn
met de ogen, groot, V-vormig.
Gebit: schaargebit. Tanggebit toegestaan.
Hals: gespierd, sterk, matig lang tot kort, iets gebogen neklijn,
duidelijke halskwabben.
Lichaam: krachtig met losse huid. Brede en diepe borstkas, goed
gewelfde ribben. Goed gehoekte voorhand, uitgesproken schoft, krachtige rug die
vanaf de schoft geleidelijk oploopt naar de croupe en schuin afloopt naar de
aanzet van de staart.
Ledematen: sterke botten, rechte en evenwijdige voorbenen, iets
lichtere achterbenen, langer dan de voorbenen en matig gehoekt.
Voeten: gesloten, met sterke gewelfde tenen.
Staart: breed aan de wortel, moet tot aan de sprong reiken, licht
gebogen staartpunt, wordt in rust hangend gedragen, in actie hoger.
Vacht: kenmerkend voor het ras is een dikke en losse huid over het
gehele lichaam met dubbele kwabben aan de keel. De vacht is kort, dicht, zacht
en goed aansluitend.
Kleur: alle kleuren en kleurencombinaties zijn toegestaan. M.u.v. wit
en muisgrijs, gevlekt of gespikkeld. Witte vlekken aan keel, borst, tenen en
staartpunt zijn toegestaan.
Gangwerk: zijn zware, elastische en vloeiende gang doet denken aan de
grote katachtigen. De telgang is normaal. In draf wordt het hoofd laag gedragen.
Schofthoogte: reu 65-75 cm, teef 60-70 cm.
|