Algemeen
SVENSK LAPPHUND (Zweedse Lappenhond)
Korte geschiedenis van het ras
De Lapphund is al sinds de prehistorie de hond van de Samen (de Lappen). Dat de voorvaderen van de Lapphund al heel lang ten noorden van de poolcirkel leven, weet men onder andere door vondsten in de noordelijkste delen van Noorwegen. Deze vondsten dateert men op 7000 jaar geleden. De hond die men onder andere heeft gevonden, de zogenaamde Varangerhond, vertoont duidelijke tekenen van verwantschap met de hedendaagse Lapphund. In het begin van de twintigste eeuw heeft men geprobeerd de Zweedse keeshondenrassen in kaart te brengen en men kon toen vaststellen dat de oorspronkelijke Lapphund sterk op zijn retour was. Men heeft toen andere rassen ingekruist om de herderseigenschappen te verbeteren, maar deze experimenten waren niet bijzonder geslaagd. De Lapphunden die tegenwoordig op Scandinavische tentoonstellingen te zien zijn, stammen hoofdzakelijk af van de Lapphunden die voordat men met inkruisingsexperimenten begon, naar het zuiden van Zweden zijn gebracht.
Rasbeschrijving
De Lapphund is enigszins rechthoekig, iets kleiner dan middelgroot, levendig en waakzaam.
Hoofd: schedels iets langer dan breed. Gewelfd schedeldak, nauwelijks uitgesproken achterhoofdsknobbel, scherp uitgesproken stop. De voorsnuit is iets langer dan een-derde van de lengte van het hoofd. Rechte neusrug, gevulde voorsnuit, zwarte neusspiegel , droge lippen.
Ogen: goed uit elkaar geplaatst, rond, vrij groot. Horizontaal geplaatste oogopeningen, donkerbruin, blik met veel uitdrukking.
Oren: kort, rechtopstaand, spits, licht afgerond en breed aan de basis, zeer beweeglijk.
Gebit: schaargebit.
Hals: gematigd lang, krachtig, droog.
Lichaam: goed gedrongen, licht rechthoekig. Rechte, sterke rug, ruime borstkas met goed ontwikkelde achterste ribben, van voren af gezien ovaal. Uitgesproken voorborst, korte lendenpartij, lange en brede croupe, zwak opgetrokken buiklijn.
Ledematen: goed naar achteren geplaatste schoudersbladen, goede botten, rechte en evenwijdige voorbenen. Goed gehoekte achterbenen, gespierde dijbenen, laag aangezette sprongen.
Voeten: ovaal, sterk, met goed gesloten tenen. krachtige, elastische voetzolen.
Staart: hoog aangezet, uitgerekt reikt hij tot aan de spronggewrichten, borstelig. Wordt gekruld over de rug gedragen als de hond in beweging is.
Gangwerk: licht, soepel, met wijd uitgrijpende passen en goede stuwkracht.
Vacht: weelderig en bestaand uit dekhaar en ondervacht.. De dekharen rechtopstaand. Op het hoofd en de voorkant van de benen kort haar. Het haar in de hals vormt een kraag.
Kleur: bij voorkeur beerachtig bruin of zwart. Borstvlek en witte voeten en staartpunt zijn toegestaan.
Schofthoogte: reu 48 cm, teef 43 cm. Een afwijking van 3 cm is toegestaan.
|