Algemeen
RUSSISCH-EUROPESE LAIKA
Land van herkomst: Rusland
Korte geschiedenis van het ras
De Russisch-Europese Laika is voortgekomen uit keeshonden welke voor de jacht werden gebruikt (Laiki) uit het
gebied rond Archangelsk, met enige vermenging met de West-Siberische Laika.
De eerste officiele rasbeschrijving dateert van 1947 en
de huidige van 1981. Dit ras is in aantal het grootst onder de laiki en wordt
gebruikt voor de jacht op zowel groot als klein wild.
Rasbeschrijving
De Russisch-Europese Laika is een middelgrote, licht rechthoekige, krachtige, droge en beweeglijke hond.
Hoofd: verhoudingsgewijs klein, met de vorm van een gelijkbenige driehoek. Droge en krachtige voorsnuit.
Ogen: klein, ovaal, schuin gesteld, donker.
Oren: rechtopstaand, spits, beweeglijk.
Gebit: schaargebit.
Lichaam: sterke en gespierde rug, korte, licht gewelfde lendenen, sterke botten. Korte, brede croupe, its hellend. Duidelijk opgetrokken buiklijn, ruime borstkas van een juiste diepte.
Ledematen: goed gehoekt in schouder en opperarm, rechte voorbenen, veerkrachtige voormiddenvoet. Sterke achterbenen, goed gehoekt.
Voeten: ovaal, sterk, goed gesloten.
Staart: wordt gekruld of zeisvormig over de rug of de dij gedragen.
Gangwerk: typisch voor het ras is een galop die wordt afgewisseld met een korte draf.
Vacht: dikke huid, hard en recht dekhaar, overvloedig onderhaar. Op hoofd en oren moet de vacht kort zijn en dicht tegen de huid aanliggen. Op hals, schoft en schouders moet de vacht langer zijn, waarbij op de jukbeenderen bakkebaarden worden gevormd en rond de hals een kraag. De voorkant vn de benen heeft een korte beharing, de achterkant is langbehaard.
Kleur: zwart, grijs, wit, peper en zout, donker met witte aftekeningen en wit met donkere aftekeningen.
Schofthoogte: reu 52-59 cm, teef 48-54 cm.
|