Algemeen
OOSTSIBERISCHE LAIKA
Land van herkomst: Rusland
Korte geschiedenis van het ras
De Oostsiberische Laika bestaat uit verschillende soorten keeshonden welke voor de jacht worden gebruikt. Hij stamt af van de keeshonden rond het pool gebied van het westelijke Jenisey tot de Stille Oceaan in het oosten.
De huidige rasbeschrijving stamt uit 1981. De Oostsiberische Laika is een typische jachthond en wordt gebruikt voor de jacht op pelsdieren, bosvogels en groot wild. De Siberische beroepsjagers gebruiken hem bovendien vaak als trekhond op hun maandenlange jachtreizen.
Rasbeschrijving
De Oostsiberische Laika is een middelgrote, licht rechthoekige, krachtig gebouwde en beweeglijke hond.
Hoofd: wigvormige, brede schedel, uitgesproken achterhoofdsknobbel, lichte stop. De voorsnuit en de schedel zijn even lang en vanaf de zijkant gezien evenwijdig. Zwarte neusspiegel, droge lippen. Bij witte of lichtgele honden is een bruine neusspiegel toegestaan.
Ogen: klein, ovaal, schuin gesteld, donker.
Oren: driehoekig, rechtopstaand.
Gebit: schaargebit.
Hals: gespierd, even lang als het hoofd.
Lichaam: uitgesproken stop, sterke rug, brede lendenen, licht hellend. Brede en lange croupe, licht hellend. Ruime borstkas, diep en breed. Licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: rechte, evenwijdige voorbenen, iets langer dan de halve schofthoogte, goed gehoekt in schouder en opperarm. Veerkrachtige voormiddenvoet, sterke botten. Goed gehoekte, rechte en evenwijdige achterbenen, goed bespierd.
Voeten: bijna rond, goed gesloten.
Staart: licht gekruld over de rug of tegen de dij.
Vacht: lang, met grof, dik en recht dekhaar. Dik en zacht onderhaar. Een kraag rond de hals en schouders, bij reuen bestaat de vacht op de schoft uit manen.
Kleur: peper en zout, gevlekt of bont, wit, grijs, zwart, rood en bruin in alle nuances.
Schofthoogte: reu 55-64 cm, teef 51-60 cm.
|