Algemeen
GROENLANDSE HOND
Land van herkomst: Scandinavie
Korte geschiedenis van het ras
De Groenlandse Hond behoort tot de populairste keeshonderassen. De Engelse
naam - Eskimo Dog - is eigenlijk een juistere benaming omdat er bij alle
Eskimovolken uit het gebied tussen Groenland in het westen en de Mackenzierivier
in het oosten verschillende soorten Groenlandse Honden voorkomen. De hond wordt
uitsluitend gebruikt als trekhond en 's winters krijgt hij precies zoveel te
eten als hij nodig heeft om te kunnen werken en overleven. Onder natuurlijk
omstandigheden moet hij 's zomers voor zichzelf zorgen. Door dit harde leven
kunnen alleen de sterkste en levenskrachtigste dieren overleven en zich
vermeerderen. De verdeling van de hond die wij nu als Groenlandse Hond kennen,
heeft hoofdzakelijk in Noorwegen en de Verenigde Staten plaatsgevonden. De
Groenlandse Hond is een zeer zelfstandige hond, robuust en vitaal. Door de
veredeling is het ras echter socialer geworden, waardoor het aan de eisen van de
moderne maatschappij is aangepast.
Rasbeschrijving
De Groenlandse Hond is een zeer krachtige, polaire keeshond, met veel uithoudingsvermogen en ingesteld op hard werken onder arctische omstandigheden.
Hoofd: licht gewelfde schedel, breed tussen de oren, duidelijke maar niet overdreven stop. Snuit van gematigde lengte, rechte neusrug, droge lippen.
Ogen: bij voorkeur donker, maar mogen harmonieren met de vacht. Kleine, iets schuin geplaatste oogopeningen.
Oren: vrij klein, driehoekig, afgeronde punten, stijf en rechtopstaand, beweeglijk.
Gebit: schaargebit.
Lichaam: krachtig en gedrongen, enigszins rechthoekig. Rechte rug, brede lendenen, enigszins hellende croupe. Diepe borstkas, breed, met goed gewelfde ribben. Licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: rechte, evenwijdige voor- en achterbenen. Sterke botten, gespierde benen, achterbenen zwak maar duidelijk gehoekt, sterke sprongen.
Voeten: groot, sterk, goed gesloten, afgerond, goed gewelfd met sterke nagels en sterke voetzolen.
Staart: hoog aangezet, dik en borstelig, vrij kort, wordt gebogen of gekruld over de rug gedragen.
Vacht: zachte, dikke ondervacht, grove, rechte en vrij lange dekharen. Op het hoofd en de benen kort en glanzend haar. Op de buitenkant van de oren moet het haar kort zijn, op de binnenkant zeer dicht. Dicht haar tussen de tenen, borstelige, goed behaarde staart.
Kleur: alle kleuren en kleurcombinaties zijn toegestaan (behalve albino).
Gangwerk: effectief, in evenwicht, vol kracht, evenwijdig.
Schbofthoogte: reu minstens 60 cm, teef minstens 55 cm.
|