Algemeen
WELSH CORGI CARDIGAN
Land van herkomst: Engeland
Korte geschiedenis van het ras
Van de Welsh Corgi Cardigan wordt aangenomen dat het de oudste is van de twee
Corgivarieteiten. Men gaat ervan uit dat hij vanaf de elfde eeuw in Wales
voorkomt, waar hij zowel als hof-, jacht- en als herdershond werd gebruikt. Er
wordt aangenomen dat de beide Corgivarieteiten een gemeenschappelijk verleden
hebben. Tot 1934 werden de varieteiten met elkaar gekruist. Daarna werden ze
gescheiden en werden het twee aparte rassen. De Cardigan kan tegenwoordig goed
onderscheiden worden van de Pembroke op grond van verschillende rasspecifieke
details. Het ras is waakzaam, energiek en levendig.
Rasbeschrijving
De Welsh Corgi Gardigan is een laag gestelde, krachtige, beweeglijke hond met
een groot uithoudingsvermogen.
Hoofd: vosachtig, met een brede schedel, vlak tussen de oren, iets
gewelfde boven de ogen en met een enigszins uitgesproken stop. De voorsnuit moet
zich met de schedel verhouden als 3:5. Zwarte neusspiegel, krachtige voorsnuit,
droog.
Ogen: middelgroot, met een vriendelijke en waakzame uitdrukking,
tamelijk ver uiteen geplaatst. Ze moeten donker van kleur zijn of harmonierend
met de vachtkleur, met uitzondering van de blue merle, waarbij een of beide ogen
lichtblauw of blauw mogen zijn of blauwe vlekjes mogen hebben. Donkere oogranden.
Oren: rechtopstaand en tamelijk groot, nogal breed bij de aanzet. De
afstand tussen de oren bedraag ca. 9 cm. Ze zijn zo ver naar achteren geplaatst
dat ze in de nek kunnen worden gelegd. Afgeronde oorpunten.
Gebit: schaargebit.
Hals: gespierd, normale lengte.
Lichaam: tamelijk lang en krachtig. Brede borstkas met goed ontwikkeld
borstbeen en een diepe borst. Rechte rug, uitgesproken middel.
Ledematen: goed gehoekte schouder en opperarm, sterke botten, korte
benen, maar het lichaam is goed vrij van de grond. Licht gebogen voorbenen, die
de contouren van de borstkas volgen. Krachtige achterhand, met een goede hoeking
van knie- en spronggewricht, goed bespierde dijen. De sprongen moeten loodrecht
op de ondergrond staan.
Voeten: rond, goed gesloten, tamelijk groot en met goed ontwikkelde
voetzolen. De voorvoeten zijn iets naar buiten gedraaid.
Staart: vosachtig, aangezet in het verlengde van de ruglijn, van
middelmatige lengte. In rust wordt de staart naar beneden gedragen, in actie
boven de ruglijn, maar niet gekruld.
Gangwerk: vrij, energiek, met goede stuwkracht en een goede paslengte.
Vacht: kort of matig lang, hard, recht en met goed onderhaar.
Kleur: alle kleuren zijn toegestaan, met of zonder witte aftekening.
Wit mag niet domineren.
Schofthoogte: de ideale hoogte is 30 cm.
|