Algemeen
SAARLOOSWOLFHOND
Land van herkomst: Nederland
Korte geschiedenis van het ras
Korte geschiedenis van het ras:
Het ras werd door de Nederlandse geneticus Leendert Saarloos gecreeerd door
de wolf en de herdershond te kruisen. Saarloos verrichtte doelgerichte
fokwerkzaamheden, maar pas na zijn dood in 1969 werd zijn ras officieel erkand.
Dit geschiedde in 1975, toen het ras door de Nederlandse Raad van Beheer werd
erkend en de uiteindelijke naam werd bepaald. Saarloos was van mening dat de
gedomesticeerde honden, niet in de laatste plaats de herdershonden, vele
genetische defecten bezaten die hun gezondheid en werkvermogen beinvloeden. Zijn
kruisingen van wolf en hond waren onder andere bedoeld om dit te bewijzen. Het
ras komt buiten zijn vaderland nauweljks voor. Het toont zeer veel
overeenkomsten met de wolfhond uit het voormalig Tsjechoslowakije.
Rasbeschrijving
De Saarlooswolfhond is een fiere, wolfachtige hond met een zeer zelfstandige
manier van optreden, oplettend en gereserveerd.
Hoofd: goed in balans en in harmonie met de rest van het lichaam.
Wolfachtig, met een brede en vlakke schedel, die licht gewelfd is tussen de oren.
De snuit en schedel zijn even lang. Wigvormige en krachtige voorsnuit met vlakke
wangen, zeer lichte stop. De snuit eindigt stomp in een zwarte neusspiegel.
Droge, gepigmenteerde lippen.
Ogen: middelgroot, amandelvormig, iets schuin geplaatst en geel.
Oplettende en gereserveerde uitdrukking.
Oren: rechtopstaand, middelgroot, tamelijk dik, breder aan de basis en
smal toelopend tot een zacht geronde punt.
Gebit: schaargebit.
Hals: droog en gespierd.
Lichaam: ruime borstkas met normaal gewelfde ribben. Rechte, sterke en
gespierde rug, brede en sterke lendenen, licht aflopende croupe.
Ledematen: zeer goede, ovale botten, lange en goed naar achteren
geplaatste schouders, goed gehoekte voor- en achterhand, rechte voorbenen en een
lichte koehakkigheid. De ledematen zijn goed bespierd.
Voeten: ovaal, goed gesloten, met sterke en elastische voetzolen.
Staart: tamelijk laag aangezet. Wordt in rust sabelvormig gedragen,
bij oplettendheid hoger.
Gangwerk: kenmerkend voor het ras. Licht, soepel, doet aan de wolf
denken.
Vacht: bestaat uit langer dekhaar en dicht onderhaar.
Kleur: wolfsgrauw of bruin in verschillende schakeringen, of
cremekleurig tot wit.
Schofthoogte: reu 65-75 cm, teef 60-70 cm.
|