Algemeen
SCHOTSE HERDERSHOND (LANG- EN KORTHARIG)
Land van herkomst: Engeland
Korte geschiedenis van het ras
De Schotse Herdershond, ook wel Collie genoemd, is een van de oudste Britse
rassen. De hond komt oorspronkelijk uit Noord-Engeland en Schotland, waar hij
als herdershond werd gebruikt. Rond 1870 begon men de Schotse Herdershond op
uiterlijke kenmerken te fokken en daardoor werd de hond als snel heel populair.
Er ontstonden twee haarvarieteiten: een langharige en een kortharige Schotse
Herdershond. De beide varieteiten zijn echter met elkaar gekruist. Het ras kwam
al vroeg naar het vasteland van Europa. De Schotse Herdershond is een van de
meest gewaardeerde honderassen ter wereld, wat zowel positieve als negatieve
gevolgen heeft gehad voor het ras. Het is een gewaardeerde gezelschaps- en
tentoonstellingshond.
Rasbeschrijving
Veel mensen vinden de Schotse Herdershond een van de mooiste honden. Naast
schoonheid moet hij ook kracht, elegantie en beweeglijkheid uitstralen. Hij
heeft een vriendelijk karakter, zonder trekken van nervositeit of agressiviteit.
Hoofd: de vorm van het hoofd is karakteristiek voor het ras en moet
zowel van voren als van opzij gezien op een stompe, vrij langgerekte wig lijken.
Het schedeldak en de snuit zijn even lang en lopen evenwijdig aan elkaar, de
stop is waarneembaar maar niet uitgesproken, de neusspiegel is zwart.
Ogen: middelgroot, amandelvormig en schuin geplaatst. Donkerbruin,
behalve bij blue merle (blauwschimmel), waarbij de ogen vaak blauw of
blauwgevlekt zijn. Levendige en alerte uitdrukking.
Oren: klein, niet te dicht bijeen geplaatst en een-derde van de
bovenkant valt naar voren.
Gebit: schaargebit met goed ontwikkelde kaken.
Hals: gespierd, stevig, vrij lang en gewelfd.
Lichaam: rechthoekig, stevige rug, bij de lendenen iets gewelfd, ruime
borstkas.
Ledematen: goede hoeking van schouder en opperarm, vrij sterke botten,
rechte voorbenen. Goed bespierde dijbenen, goede hoeking van knie- en
spronggewrichten, lage sprongen.
Voeten: ovaal, met goed ontwikkelde voetzolen, goed gesloten tenen,
achtervoeten iets minder gewelfd dan de voorvoeten.
Staart: zo lang dat het benige gedeelte onder de sprongpunt komt.
Wordt in rust sabelvormig gedragen, in beweging hoger, maar nooit boven de rug.
Gangwerk: karakteristiek voor het ras. Krachtig, vloeiend, evenwijdig,
met goede stuwkracht.
Vacht: er komen twee haarvarieteiten voor: langharig en kortharig. Bij
de langharige Schotse Herdershond moet de vacht strak over het silhouet van het
lichaam vallen, grof zijn, de ondervacht is zacht en dicht. Flinke manen en
weelderige vacht op de borst. Het gezicht en de punten van de oren zijn
kortharig. De voorbenen moeten goed bevederd zijn, de achterbenen boven de
sprongen weelderig behaard. Weelderige beharing op de staart. De kortharige
Schotse Herdershond moet grove, vrij korte dekharen hebben, die dicht op het
lichaam liggen, en een korte, dichte ondervacht.
Kleur: er komen drie kleurvarieteiten voor: sabel en wit, driekleurig
en blue merle. Sabel: alle tinten van licht goudkleurig tot diep mahonie of
gedempt sabel. Driekleurig: overwegend zwart met geelbruine (tan) aftekening op
het hoofd en de benen. Blue merle: overwegend helder zilverblauw gevlekt met
gemarmerd zwart; diep geelbruine aftekening verdient de voorkeur. Witte
aftekening moet op alle kleurvarieteiten voorkomen. Witte kraag, borst, benen en
voeten alsmede witte punt aan de staart verdienen de voorkeur. Bles op de snuit
en/of schedel mag voorkomen.
Schofthoogte: reu 56-61 cm, teef 51-56 cm.
|