Algemeen
BEARDED COLLIE
Land van herkomst: Engeland
Korte geschiedenis van het ras
Korte geschiedenis van het ras:
De Bearded Collie wordt al sinds de middeleeuwen in de Schotse hooglanden als
herdershond gebruikt. De geschiedenis vertelt dat een Pools schip met graan in
het begin van de zestiende eeuw drie herdershonden meenam, die tegen Schotse
schapen werden geruild. Deze herdershonden zouden van het oude Poolse ras
Owczarek Nizinny zijn geweest, dat nog steeds in Polen en ook in andere landen
voorkomt. Men denkt dat deze honden de voorouders van de Bearded Collie zijn. In
de jaren zestig werd het als ras in de moderne zin van het woord erkend. Het is
een goede herders- en gehoorzaamheidshond en ook een aangename gezelschapshond.
Het ras komt in grote delen van de wereld voor en is een populaire
tentoonstellingshond.
Rasbeschrijving
De Bearded Collie is ietwat rechthoekig (5:4), slank, wakker ,beweeglijk en
levendig, en hij heeft een weelderige vacht.
Hoofd: brede, vlakke en vierkante schedel. De voorsnuit is krachtig en
even lang als de afstand van de stop tot de achterhoofdsknobbel. Matig
aangegeven stop. Grote neusspiegel, over het algemeen zwart, maarbij blauwe en
bruine honden meestal afgestemd op de kleur van de vacht.
Ogen: groot, ver uit elkaar geplaatst. De kleur harmonieert met de
kleur van de vacht. Levendige, onderzoekende uitdrukking, uitgesproken
wenkbrauwen.
Oren: middelgroot, hangend, goed behaard.
Gebit: schaargebit, tanggebit is toegestaan, maar ongewenst.
Hals: gematigd lang, gespierd, licht gewelfde nek.
Lichaam: de lengte wordt in hoofdzaak bepaald door de borstkas, korte
lendenpartij, rechte rug en een ruime borstkas.
Ledematen: goed gehoekte voorhand, rechte en evenwijdige voorbenen met
sterke botten. Elastische voormiddenvoeten. Goed gehoekte achterbenen, krachtig
en goed bespierd, de sprong loodrecht op de ondergrond.
Voeten: ovaal, goed ontwikkelde voetzolen, haar tussen de tenen.
Staart: laag aangezet, moet minstens tot de punt van de sprong komen.
Wordt in beweging hangend of in sabelvorm gedragen. Overvloedig behaard.
Gangwerk: lange, ver uitgrijpende passen, zacht en vloeiend.
Vacht: dubbel, zacht, wollig, dichte ondervacht. Rechte, krachtige en
ruige dekharen. De vacht moet een goede bescherming bieden en weelderig zijn,
zonder dat deze de natuurlijke lijnen van de hond verbergt. Op de wangen, de
onderlip en de kin moet de vacht langer zijn en de kenmerkende baard vormen.
Kleur: leigrijs, root tot beige, zwart, blauw, alle grijstinten,
bruin, zandkleurig met of zonder witte aftekeningen.
Schofthoogte: reu 53-56 cm, teef 51-53 cm.
|