AlgemeenAUSTRALISCHE VEEDRIJVERSHOND
Australian Cattle Dog
Land van herkomst: Australie
Korte geschiedenis van het ras
Het ras is nog niet zo oud. De Australische Veedrijvershond ook wel, Australian Cattle Dog, werd tijdens de
eerste helft van de negentiende eeuw geschapen. Een doeltreffende, robuuste,
stoere en beweeglijke assistent was en is nog steeds noodzakelijk om de grote
kudden die in Australie voorkomen, te kunnen hoeden. Door de Collie met de
Australische wilde hond Dingo te kruisen, ontstond een hond met voortreffelijke
eigenschappen. Om deze nog verder te verbeteren gebruikte men Dalmatiners en
Bull Terrier en hieruit ontstond de mengvorm die de basis vormt voor de moderne
veedrijvershond.
Rasbeschrijving
Rasbeschrijving:
De Australische Veedrijvershond is een krachtige, gedrongen en zeer moedige
hond met een bijzonder uithoudingsvermogen en veel zelfvertrouwen.
Hoofd: krachtig, met brede schedel en een stevige voorsnuit, zeer
geringe stop, goed bespierde wangen, droge lippen, zwarte neusspiegel.
Ogen: ovale, donkerbruine ogen van gemiddelde grootte, met een
wantrouwende blik, wat kenmerkend is.
Oren: vrij klein, breed aan de basis, rechtopstaand, breed aangezet en
naar voren hangend.
Gebit: schaargebit met krachtige tanden.
Hals: bijzonder krachtig gespierd, matig lang en droog.
Lichaam: de lengte in verhouding tot de schofthooge is 10:9. Sterke
rug, goed gewelfde ribben, goed ontwikkelde achterste ribben, brede lendenen,
compact lichaam.
Ledematen: goede hoeking van schouder en opperarm, sterke botten,
ronde, evenwijdige benen, veerkrachtige voormiddenvoet. Achterhand breed,
gespierd en krachtig. Lange, brede dijbenen, goede hoeking van knie- en
spronggewrichten, sterke en lage sprongen, achterbenen evenwijdig aan alkaar.
Voeten: rond, gesloten en goed gewelfd, met dikke voetzolen en korte
nagels.
Staart: loopt in vloeiende lijn met de rug of wordt iets lager
gedragen, moet tot de sprongpunt komen. Bij stilstand wordt hij hangend gedragen,
in beweging omhoog, maar niet hoger dan de ruglijn. De staart moet borstelig
zijn.
Gangwerk: vrij, soepel en onvermoeibaar met goede stuwkracht.
Vacht: tamelijk korte bovenvacht recht en matig grof, met korte,
dichte ondervacht.
Kleur: blauw of roodgevlekt.
Schofthoogte: reu 46-51 cm, teef 43-48 cm.
|