Algemeen
OGAR POLSKI (Poolse Brak)
Land van herkomst: Polen
Korte geschiedenis van het ras
De Ogar Polski is een varieteit van de Centraaleuropese drijfhonden. Hij doet erg denken aan een lichte Bloedhond. Het ras is buiten Polen zeer zeldzaam en zelfs in Polen komt hij maar weinig voor. Oorspronkelijk werd hij voor bijna alle jachtsoorten gebruikt, maar tegenwoordig vrijwel alleen voor de jacht op wilde zwijnen en vossen (en hazen in bergachtige gebieden). Hij wordt bijzonder gewaardeerd om zijn sonore blaf, die ook in toonhoogte en sterkte varieert. Het ras werd pas in 1966 door de FCI erkend.
Rasbeschrijving
De Ogar Polski is een middelgrote, licht rechthoekige, sterke en gespierde hond met een groot uithoudingsvermogen, maar hij is niet erg snel.
Hoofd: tamelijk zwaar, snuit en schedel zijn even lang. De schedel is breed en licht gewelfd, met een uitgesproken achterhoofdsknobbel en een duidelijke stop. Krachtige voorsnuit met een rechte neusrug. Donkere neusspiegel.
Ogen: kastanjekleurig, met een vriendelijke uitdrukking.
Oren: tamelijk laag aangezet, lang en breed, met afgeronde punten. Worden dicht tegen het hoofd gedragen. De voorkant van het oor is naar binnen gedraaid.
Gebit: schaargebit.
Hals: matig lang, sterk en gespierd, de losse huid vormt een halskwab.
Lichaam: vlakke ruglijn, uitgesproken schouderbladen. De rug is breed en goed bespierd, tamelijk korte lendenen, brede croupe. Diepe en lange borstkas, zeer licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: sterke botten, voor- en achterbenen recht en evenwijdig. Goed gehoekt in schouder en opperarm. Krachtige en goed bespierde achterhand met laaggeplaatste sprongen en goed gehoekte knie- en spronggewrichten.
Voeten: rond, goed gesloten, met sterke voetzolen.
Staart: tamelijk grof, laag aangezet en licht gebogen, waarbij hij bijna tot aan de sprongen reikt. In actie wordt de staart opzij gedragen, maar nooit over de rug.
Vacht: de huid sluit strak om het lichaam, maar is losser in het gezicht en aan de hals. De vacht bestaat uit onderhaar en dekhaar. Ze is kort en zacht op het hoofd, oren en benen, en hard en dik op de rest van het lichaam.
Kleur: zwarte of donkergrijze mantel en verder taankleurig. Een witte aftekening is toegestaan.
Schofthoogte: reu 56-65 cm, teef 55-60 cm.
|