Algemeen
GRAND GASCON SAINTONGEOIS
Land van herkomst: Frankrijk
Korte geschiedenis van het ras
Het ras stamt uit het district Saintongeois aan de Franse westkust. Het enige wat groot en klein onderscheidt, is de schofthoogte. Voor de Franse Revolutie waren de honden uit Saintongeois beroemd vanwege hun vermogen om op wolven te jagen. Het ras dunde echter in de loop van de tijd uit, maar werd gereconstrueerd door baron de Virelade in de jaren veertig van de negentiende eeuw. Dit gebeurde met behulp van de robuuste Grand Gasconies. Zijn prooi was vanaf het begin vooral ree, maar tegenwoordig jaagt hij ook op hert, vos en wild zwijn. Helaas is het ras tamelijk zeldzaam in Frankrijk, en komt het daarbuiten helemaal niet voor.
Rasbeschrijving
Het ras is een edele en elegante drijvende hond.
Hoofd: langwerpig, met een markante achterhoofdsknobbel, de neusrug is recht en licht gebogen, zwarte en grote neusspiegel, droge lippen.
Ogen: donker kastanjebruin.
Oren: laag aangezet, tamelijk ver achteraan op de schedel, zacht en fijn. Moeten tot de punt van de neus reiken.
Gebit: wordt niet aangegeven in de rasbeschrijving.
Hals: middelmatig lang en krachtig, zonder grof te zijn, enige keelhuid kan voorkomen.
Lichaam: diepe en ruime borstkas van goede lengte ne met goed ontwikkelde achterste ribben. Sterke en rechte rug. De lendenpartij is licht gewelfd en goed van spieren voorzien; licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: de schouderbladen zijn lang en goed naar achteren geplaatst. Goede botten, rechte voorbenen, goed gehoekte en evenwijdige voor- en achterbenen, goed van spieren voorzien, lage sprongen.
Voeten: ovaal, goed gesloten, met veekrachtige voetzolen.
Staart: aangezet in het verlengde van de ruglijn, elegant in sabelvorm gedragen.
Vacht: kort, dicht.
Kleur: witte ondergrond met grotere of kleinere zwarte vlekken. Sommige honden hebben een zwarte mantel. Twee vlekken zijn vaak aan weerszijden van het hoofd geplaatst en bedekken de oren en omvatten de ogen. De overgang van zwart naar wit op het hoofd moet tankleurig zijn en bovendien moeten er tankleurige vlekken boven de ogen zitten. Op de achterzijde van het onderbeen komt een reekleurige vlek voor. Dit is het adelskenmerk van het ras.
Schofthoogte: reu, groot slag 63-70 cm, teef, groot slag 60-65 cm, reu, klein slag 52-60 cm, teef, klein slag 50-56 cm.
|