Algemeen
DALMATISCHE HOND
Land van herkomst: Joegoslavie
Korte geschiedenis van het ras
Van zijn oorsprong is niets met zekerheid bekend. In Zuid-Azie zijn afbeeldingen gevonden van gevlekte honden. Ook in de Griekse en Romeinse oudheid waren gevlekte honden bekend. Zeker is wel dat de naam niets te maken heeft met de landstreek Dalmatie. De naam zou afgeleid kunnen zijn van de Dalmatica, een Romeinse koningsmantel gemaakt van hermelijn. Sinds het begin van de achttiende eeuw heeft het ras zich vooral in Engeland ontwikkeld (met mogelijk gebruik van Bull Terrier en Pointer) en het heeft zich daar gevestigd als rijtuighond (coach dog). Zijn taak was het begeleiden van de door paarden getrokken equipages. Het ras komt voor over de hele wereld, het is een uitstekende paardenhond en bovendien een sportieve en levendige gezinshond.
Rasbeschrijving
De Dalmatische Hond is middelgroot, beweeglijk, snel en heeft een groot uithoudingsvermogen.
Hoofd: tamelijk lang, vlakke schedel, tamelijk brede bovenschedel, uitgesproken stop, lange en krachtige voorsnuit, droge lippen. Zwarte neusspiegel bij zwarte honden, bruine neusspiegel bij leverkleurige.
Ogen:tamelijk ver uit elkaar geplaatst, middelgroot, met ronde oogopeningen, levendige uitdrukking. De kleur is donker of barnsteenkleurig, afhankelijk van de kleur van de vacht. De rand rondom de ogen moet gepigmenteerd zijn, zwart of leverbruin.
Oren: dun, soepel, middelgroot, nogal hoog aangezet en dicht tegen het hoofd gedragen. De aftekening moet goed onderbroken zijn, bij voorkeur gevlekt.
Gebit: schaargebit.
Hals: tamelijk lang. Gewelfde nek, gespierd.
Lichaam: diepe en ruime borst van goede lengte met goed gewelfde ribben. Goed afgetekende schoft, krachtige en rechte rug, gespierde, iets gewelfde lendenen.
Ledematen: voorhand met goede hoeking, rechte voorbenen, sterke botten, veerkrachtige voormiddenvoet. Goed gehoekte achterhand, brede, goed gespierde dijen, evenwijdige achterbenen, redelijk laaggeplaatste sprongen.
Voeten: rond, goed gesloten, met sterke voetzolen, zwarte of bruine nagels.
Staart: moet tot aan de sprongen reiken en een natuurlijke overgang vormen met de ruglijn. Wordt met een licht boog gedragen. Een punt aan de staart is gewenst.
Gangwerk: vrij, vloeiend, met een goede paslengte en een goede stuwkracht.
Vacht: kort, hard, dicht, glad en glanzend.
Kleur: er zijn twee varieteiten toegestaan: wit met zwarte vlekken of wit met leverbruine vlekken. De vlekken moet zuiver zwart of leverbruin zijn, ze mogen niet in elkaar overlopen, ze moeten rond en scherp afgetekend zijn, ca. 2.-3 cm in doorsnede en goed verdeeld over het lichaam.
Schofthoogte: reu 55-61 cm, teef 5-58 cm.
|