Algemeen
BLACK AND TAN COONHOUND
Land van herkomst: Verenigde Staten
Korte geschiedenis van het ras
De Black and Tan Coonhound stamt af van de oude Talbot Hound, die men in Engeland al in de dertiende eeuw kende, en verder van de bloedhond en de Engelse Foxhound, evenals de Amerikaanse Virginia Foxhound. Het ras is enerzijds gefokt voor zijn jachtvermogen, anderzijds voor zijn kleur, het is in 1945 door The American Kennel Club erkend. Hij schijnt gespecialiseerd te zijn in de racoon (wasbeer). Het verloop van de jacht is dat de hond het wild opspoort en het volgt totdat het in een boom is gevlucht (barking up) en onafgebroken blaft totdat de jager schiet. De Black and Tan Coonhound is weliswaar racoon specialist, maar hij jaagt ook op hert, bergleeuw, beer en mogelijk ook op ander groot wild. Buiten Amerika komt het ras (zo goed als) niet voor.
Rasbeschrijving
De Black and Tan Coonhound is in de eerste plaats een werkende hond die bestand is tegen koude winterdagen, hete zomers en moeilijk terrein.
Hoofd: fijn gemodelleerd met een middelmatige stop halverwege de achterhoofdsknobbel en de neuspunt. Snuit- en schedellijn zijn evenwijdig. De schedel is licht gewelfd. De lippen zijn tamelijk zwaar, hetgeen het karakteristieke van de hond onderstreept, de neusspiegel is zwart.
Ogen: rond, hazelnootbruin tot donkerbruin, met een oplettende, vriendelijke en ongeduldige uitdrukking.
Oren: laag aangezet, tamelijk ver achteraan op de schedel. Ze moeten het hoofd omsluiten en het een majestueuze uitdrukking geven en tevens zo lang zijn dat ze voorbij de punt van de neus reiken.
Gebit: schaargebit.
Hals: middellang en gespierd.
Lichaam: diepe en lange borstkas met goed gewelfde ribben. Vlakke, sterke en gespierde rug, licht hellend van schoft naar staartaanzet.
Ledematen: rechte en evenwijdige voorbenen. Krachtige botten, goede hoeking van voor- en achterhand. Goed bespierde voor- en achterbenen. Evenwijdige achterbenen, tamelijk lage sprongen.
Voeten: katachtig, goed gesloten en compact.
Staart: krachtig, direkt onder de ruglijn aangezet. Wordt in sabelvorm gedragen of in actie loodrecht op de rug.
Gangwerk: vrij, met wijd uitgrijpende passen en grote stuwkracht.
Vacht: kort en dicht.
Kleur: zwart, met tankleurige aftekening boven de ogen, op de wangen, borst en ledematen.
Schofthoogte: reu 63-68 cm, teef 58-63 cm.
|