Algemeen
BERNER LAUFHUND
Korte geschiedenis van het ras
De Schweizer Laufhunde (brakken of lopende honden) hebben een eeuwenoude geschiedenis en stammen af van de hoogbenige jachthonden van de Kelten. Tegen het einde van de negentiende eeuw kwamen de rasbeschrijvingen van de plaatselijke varieteiten tot stand. Toen er een verbod kwam op het jagen met de drijfhonden met een schofthoogte van meer dan 40-42 cm, werden de zogenaamde kleine brakken gefokt door middel van inkruising van de Teckel. De Schweizer Laufhunde hebben voor een groot deel een gemeenschappelijke rasbeschrijving.
Rasbeschrijving
Deze Laufhund moet middelgroot, rechthoekig en veerkrachtig zijn en ze moeten een goed uithoudingsvermogen hebben. Daarnaast moeten ze edel, levendig en beweeglijk zijn en een goed jachtinstinct hebben.
Hoofd: droog, lang en smal, uitgesproken stop, lange, smalle en diepe voorsnuit, enigszins convexe neusrug, zwarte neusspiegel.
Ogen: donker, met een milde uitdrukking.
Oren: laag en ver naar achteren aangezet, smal bij de aanzet, zeer lang, met afgeronde punten. Dun en fijn behaard.
Gebit: tang- of schaargebit.
Hals: tamelijk lang, krachtig, met enige keelhuid.
Lichaam: rug van goede lengte, sterk en vlak. Sterke lendenen, licht gewelfd. Diepe borstkas, niet te breed en gewelfd. Rechte voorbenen met sterke botten. Matig gehoekte achterhand, goed bespierde, evenwijdige benen.
Voeten: gerond, sterke voetzolen.
Staart: matig lang, wordt horizontaal gedragen.
Vacht: altijd ruw, kortharig of langharig, met ondervacht.
Kleur: wit en zwart.
|